Seksualiteit en spiritualiteit Zo’n dertig jaar geleden werden de eerste taboes rondom seksualiteit doorbroken. Alles wat de seksualiteit verhulde en omhulde werd ontbloot en in een snel tempo werd al hetgeen eerst nog geladen was met een sacrale of magische sfeer, teruggebracht tot de banaliteit van alle dag. Freud werd alom geprezen en de Victoriaanse preutsheid was doorschouwd als één grote neurose. De man raakte al spoedig losser in ‘kleden en zeden’ en het kraagje van menig vrouw werd ingewisseld voor decolleté, minirok of strakke broek. De heldenrol van de man als veroveraar werd door de e-man-cipatiebeweging van de vrouw aangetast en in de bruine cafés werden de problemen tussen man en vrouw onder het genot van een kop koffie of een glaasje bier onder de loep genomen. Al gauw werd er openlijk door mannen en vrouwen gesproken over orgasme, penetratie en seksueel contact en niet veel later werden de conventionele Latijnse woorden als coïtus, penis en vagina e.d. ingeruild voor woorden die vroeger haastig door opgeschoten pubers op schuttingen, in tunnels of in avondlijke bushaltes en spoorweghallen werden geschreven. Emancipatie en vooral ‘e-vrouw-cipatie’ scheen in te houden dat er letterlijk nergens meer doekjes om gewonden werden. De stem van sommige vrouwen zakte een toontje en kreeg soms een wat mannelijke klank, terwijl de homofiel gerichte man openlijk een toontje hoger ging zingen. De bezwerende vinger van de kerken, die zelf steeds meer intens worstelden met het ‘probleem’ van de seksualiteit, werd bijna Freudiaans bekeken. Huwelijken leken niet meer voor eeuwig gesloten, hetgeen een aangename werkverschaffing leek voor talloze juristen, advocaten en adviesbureaus. Hadden een aantal priesters vroeger heimelijk een vriendin of bezochten ze hun ‘nichtje’, steeds meer kwamen zij er openlijk voor uit dat een vriendin het leven veraangenaamde en dat Jezus toch ook veel getrouwde leerlingen had. Trouwens had niet Paulus onderricht dat het nog altijd beter was ‘te trouwen dan van begeerte te branden’? (I Kor. 7:9). Alsof er tussen huwen en van ‘begeerte branden’ niet een keur aan mogelijkheden bestaat, zoals de liefdevolle aanraking of streling, genegenheid, tederheid (zo zeldzaam geworden in onze ruwer geworden tijd ), de intieme fluistering, het innige oogcontact. Zoals het kerklatijn als toverformule voor het volk uit het gehoor verdween, zo verdween voor vele priesters en nonnen de zin van het celibaat. Pijen en habijten werden steeds meer aan de kloosterlijkje kapstok gehangen en niet veel later toonde onderzoek aan dat niet alleen talloze priesters en nonnen het geïnstitutionaliseerde christendom vaarwel zeiden, maar dat ook talloze priesters homofiel waren (Amerika alleen al meer dan 20%) en nogal wat nonnen een lesbische relatie erop nahielden. Bevonden zich in de middeleeuwen al bordelen dicht in de buurt van de gebouwen waar de concilies plaatsvonden, tegenwoordig lijkt de kerk voor het front van de gelovigen steeds meer zelf te worstelen met de seksualiteit, terwijl zij nog maar enkele decennia geleden met de wijsvinger op de snede van de moraalboeken een precieze ‘voorlichting’ gaf over wat wel en niet mocht. Nauwkeurig kon de kerk uitleggen dat alles begonnen was met de ‘zondeval’ in het paradijs, waarbij eeuwen lang de klemtoon op de grote schuld van Eva werd gelegd, die de man toch maar verleid had. De mythe over het paradijs en de zogenaamde ‘val’ van de mens is inmiddels ontsluierd als een mysterieverhaal waar niet primair de stem van God in klinkt, maar wel van ingewijde kennis. In de vorm van een inwijdingsverhaal, waarin de slang geen biologisch wonder op pootjes bleek te zijn dat nog net voor het vallen van de avond het tuinhekje van de paradijstuin binnenglipte om de mens vermaarde appel van dualiteit aan te bieden, wordt de ingrijpende overgang van de beleving van eenheid (levensboom) naar de dualistische levensvisie (de boom van kennis van goed en kwaad) in de vorm van een kortstondig gebeuren beschreven. De zogeheten ‘val’ van de mens betekende in feite het voorlopige einde van Leven vanuit neutraliteit, om de titel te gebruiken van het boek van Justus Kramer Schipper, die in een zijn herziene uitgave onder andere twee hoofdstukken wijdde aan seksualiteit in relatie tot dualiteit en neutraliteit (1) en het begin van het dualistische bewustzijn, dat tot in de structuur van de hersenen (linker- en rechterhersenhelft) tot uitdrukking kwam. Bewustzijn in rust gaat over naar Bewustzijn in beweging (Ramesh S. Balsekar). Naarmate de seksuele revolutie haar roes verspreidde en er steeds meer geëxperimenteerd werd met allerlei standjes in allerlei standen, nam bij velen ook het besef af dat seksualiteit wel eens een diepere dimensie in zich zou kunnen dragen dan de oppervlakte van de huid en het in sneltrein voortgebrachte orgasme, dat ontdaan was van voorspel, tussenspel en naspel. Pornografie was voortaan niet alleen meer te bezichtigen in de donkere achterbuurtjes, maar ook in bioscopen. Enkele jaren later werd het tot vast voedsel van diverse televisieomroepen, die na de verveling van de misdaadfilm nu ook de seksualiteit in de late avonduren, los van ook maar enige geestelijke dimensie, ging vertonen. Technische ‘hoogstandjes’ (of beter gezegd ‘laag-standjes’) en spoed-orgasmes konden vrijelijk bekeken worden, terwijl steeds meer hotels hun kamers gingen uitrusten met een televisietoestel dat al aanflitst zodra de voordeur openzwaait, waarbij de argeloze bezoeker die een manier zoekt om het apparaat uit te zetten vaak per ongeluk het begin van een erotische film indrukt, die overigens tegen betaling pas later verder bekeken kan worden. En ondertussen ontstond een nieuw taboe: het nauwelijks bespreekbaar kunnen maken of we niet wat doorgeslagen waren, of we niet iets heel kostbaars hadden weggegooid. Kennelijk moest de seksuele revolutie zich tot in de diepste schachten van de stoffelijke wereld voltrekken, zodat er op den duur een zekere weerstand of bij sommigen zelfs walging ging ontstaan. De rode haan van de ‘liefde’ kraaide victorie, de dageraad van de vrije seksualiteit ging over in het hete middaguur. Het einde van de revolutie was nog niet helemaal in zicht. Zo leek de telefoon voor meer doeleinden geschikt dan de conventionele nummers voor weerbericht, tijd en het opvragen van telefoonnummers. Al spoedig werden sekslijnen geopend, waarbij naar harte-lust – tegen forse betaling - vooral in bedrijven waar volgens onderzoek nogal wat werknemers tussendoor hun ‘belletje’ deden – naar schunnige moppen of verhalen geluisterd kon worden. Schulden liepen op. 007 was uit, 06 ‘in’. De James Bond van viriliteit kon niet meer bogen op het volmaakte getal van 007. De computer volgde spoedig daarna en vele volwassenen, maar ook kinderen surfen snel door allerlei programma’s heen om op te gaan in een pseudo-wereld van te vervullen verlangens, waar ieder spoor van waarachtige liefde in ontbreekt. De jonge mens moet in deze ‘openhartige’ tijd maar al te vaak tussen technische voorlichting en geestelijke oplichting, tussen condooms en pseudo-liefde zijn eenzame weg zoeken. Een tijdlang zocht de moderne jeugd, steeds meer overgeleverd aan televisie, computer, walkman, leptop, houseparty en de allernieuwste drugs, wat verlegen of brutaal een weg tussen de eindeloze varianten van het meest begeerde consumptiemiddel: seks. Begeerten, zo toont de schreeuwerige reclamewereld, zijn er om vervuld te worden. De ‘psychische smog’, (Roberto Assagioli), verspreidde zich nu ook in razend tempo in de vorm van geperverteerde seksualiteit. Met als metgezel allerlei nieuwe geslachtsziekten. Steeds meer huwelijken lijden schipbreuk, seksueel geweld, aanranding en vrijpostig gedrag nemen toe. Tegelijkertijd begint echter ook in steeds bredere lagen van de bevolking het besef te ontwaken dat er iets fundamenteels mis is met de westerse seksualiteitsbeleving. Een zekere moeheid treedt op, maar ook een vaak diepe verontwaardiging bij het horen en lezen van zovele schandalen. De tijd voor herbezinning lijkt te zijn aangebroken en steeds meer stemmen klinken of seksualiteit, spiritualiteit en liefde dan toch iets met elkaar te maken hebben. In zijn zo bijzondere roman De magische cirkel, ten onrechte aangekondigd als een autobiografische roman (nog niet in herdruk verschenen), beschrijft de mysticus en literator Erik van Ruysbeek op indringende en speelse wijze alle aspecten van de seksualiteit en de liefde. Het komt erop neer dat de mens – alsof het om een inwijding gaat – door alle lagen heen moet, voordat hij de betekenis van deze oerenergie op dieper niveau gaat verstaan. Voor de wat preutse lezer werd deze roman vlug met rode wangetjes gelezen en daarna opgeborgen, terwijl voor velen dit vrijmoedige boek een steun werd om eros en agapè in relatie tot de seksualiteit beter te verstaan. Voordat de hoofdpersoon van deze roman (George) aan het einde van het boek kan zeggen: Niets wat echt bestaat kan ooit ophouden te bestaan. Zo was het. Dit was een warme bedding in het hart van de stilte. Daarom was hij sedert altijd en voor immer een druppel in een tijdeloze zee van liefde.(4), zijn alle wegen en sluipwegen van de liefde doorgenomen, ervaren en beschouwd. Dat hoeft overigens niet bij ieder mens een zelfde situatie op te leveren. Reeds enkele ervaringen kunnen genoeg zijn. Al kan men het met Freud eens zijn dat velen menen de libido overwonnen te hebben, die echter via allerlei neurosen of babbelzucht een andere uitweg zoekt. Carl Gustav Jung vulde zijn leermeester aan door diep in de geheimen van deze kracht af te dalen, zoals onder andere uit de toelichting op het mystieke boek Het geheim van de gouden wonderbloem blijkt.(5) De laatste tijd lijkt er geleidelijk een verzadiging in te treden ten opzichte van de ééndimensionale cultuur van de seksualiteitbeleving. Een cultuur van overorga(s)nisering van de seksualiteit, van overprikkeling van de zintuigen en niet te beteugelen haast, van gemis aan romantiek, gebrek aan tederheid, ontkenning van intiem gesprek en van erotische verveling, heeft zich in de vrijersbedden van ‘een al te veel’ genesteld. Sommige jongelui willen weer trouwen in kostuum (weliswaar los van een kerk), huren een trouwkoetsje, laten een ‘gedaste’ fotograaf bij een kasteelvijver met zwanen weer wat kiekjes nemen voor hun trouwfoto-boek en huren een orkestje in voor het trouwdiner, waarna de huwelijksreis volgt, als ging het om trekvogels die in een ander land hun eerste kroost verwekken. Romantische huwelijksfilms doen het weer goed en na alle schandalen over pedofilie, pornonetwerken en seksueel geweld lijkt hier en daar het tij te keren. Er komt weer ruimte voor een andere bezinning, een andere dimensie. Steeds meer wordt gevraagd naar de diepere betekenis van deze drijvende evolutiekracht die tot de hoogste hemelsferen, de meest mystieke ervaringen of tot hellesferen van verloederde bordelen, aids en seksuele nachtmerries kan voeren. De seksuele energie zelf blijft er even neutraal om. De tijd lijkt te naderen waarin ruimte ontstaat voor een nieuwe beleving van de seksualiteit en zelfs voor het niet afgedwongen celibaat, dat door tallozen in het verleden gesloten werd onder de doem van een nauwelijks vol te houden ‘eeuwige gelofte’. De spirituele dimensie is misschien wel meer dan ooit bespreekbaar geworden, zonder dat zich de hilariteit van zogenaamd seksueel-bevrijden, die vaak zelf ten diepste gefrusteerd zijn, zich uitstort over hen die een wat andere visie hebben. Na de Victoriaanse preutsheid, de seksuele revolutie, condoom, pil, after-morning pil, spiraaltje of de viagra-pil om erecties kost wat kost op te wekken, blijkt er – net als na de roes van alcohol – toch een ‘kater’ (voor sommige een ‘poes’) over te blijven. Het sacrale karakter van de seksualiteit, maar nu los van zondebesef, dogma en religieuze conditioneringen, is weer bespreekbaar geworden. De heelheid van lichaam-ziel-geest wordt weer in ogenschouw genomen. Tantra en mantra wisselen elkaar af en beogen de mens naar een diepere, spirituele dimensie van de liefde te brengen(6). Sommige westerse leermeesters echter beroepen zich op ‘oosterse technieken’ en oosterse leraren, die zelf op geen enkele wijze zouden toestaan wat sommigen van hun westerse ‘collega’s’ in hun onwetendheid naar voren brengen, zelf nauwelijks gerijpt in de krachtige energie van de seksualiteit en de mogelijke transformatie ervan. De seksuele energie is zo krachtig, zo bruisend, zo ongetemd in lichamen, dat na lange experimenteren nu gezocht wordt naar de geestelijke dimensie die gemist wordt in de oppervlaktecontacten. Bovendien zit de angst voor aids en andere geslachtsziekten er bij velen in, zodat herbezinning toegankelijker wordt. Deze epidemie moet toch ergens vandaan komen. En het geneesmiddel, waar de farmaceutische witgejaste maffia een miljardendans om maakt, lijkt maar niet te helpen. Zou er toch iets mis zijn met onze cultuur van de seksualiteit, met onze innerlijke beleving ervan of de mogelijkheid tot transformatie ervan? Lange tijd gold het primaat van de geest ten koste van het lichaam. En vooral zij die dit predikten begonnen dit zelf te merken. De celibataire priester bleek plotseling een vaste vriendin te hebben. De boeddhistische monnik klom wel eens ’s nachts over de kloostermuur(7), om na recitering van zijn dagelijkse soetra’s ’s nachts bij volle maan een ‘soetra’ van vlees en bloed te proeven. De dominee die zo goed zijn vingertje naar de hemel kon heffen, bleek de katjes (poesjes) in het donker te knijpen, de rabbi die niet getrouwd was, werd verdacht bevonden, terwijl de moella, met de Islamitische wet in zijn handen er gelukkig openlijk een aantal vrouwen op na kon houden, in navolging van Mohammed, die er – voor zover openlijk bekend was minstens zeven had – en volgens andere bronnen 13. Niet doorleefde seksualiteit wordt tot morele wetten, die deze krachtige oerenergie onderdrukken en bij sommige geestelijken verhuld wordt onder habijten, rokken en mantels, terwijl leken en volgelingen vooral toch aangeraden wordt om tegen deze kracht te strijden door een ‘zuiver’ leven. Dat zuiverheid primair alles te maken heeft met de geest dringt nu pas geleidelijk door. De vele platte grappen die de geestelijke stand in intiem gezelschap soms lanceert, vaak tot verbijstering van de beminde gelovigen, duidt ongetwijfeld op vele verdrongen gevoelens. Niets menselijks is echter vreemd. De meeste ‘geestelijken’ streven aanvankelijk eerlijk naar een celibatair leven. Maar wie de klemtoon teveel legt op het ‘geestelijke’ en het lichamelijke onderdrukt, zal al spoedig merken hoe het ware krachtenveld van energieën in elkaar steekt. De mening van talloze religieuze groeperingen, genootschappen en stromingen lijkt unaniem ten gunste van het celibaat. In alle gewijde boeken is er wel iets over te vinden. Christenen komen er achter dat Jezus diverse getrouwde discipelen had en het celibaat onderrichtte als een krachtige weg, die overigens niet uitsluit dat er nog vele andere wegen zijn. Jezus zei eens dat ‘er eunuchen (onhuwbaren) zijn die zichzelf tot eunuch gemaakt hebben omwille van het Rijk der hemelen (= verlichting)’. En hij voegde hieraan toe: ‘Hij die dit begrijpen kan, hij begrijpe het!’ (Mattheüs 19:12). Dat het hier niet om een letterlijke castratie gaat, zoals sommige geestelijken meenden, maar om een ‘geestelijke besnijdenis’ die het kundalinivuur opwekt via talloze fijnstoffelijke energiebanen (nadi’s ) en de chakra’s, is één van de geheimen van het mystieke christendom die voor de kerken verborgen bleven. Augustinus overigens, die in zijn jeugd aan ‘vleselijke liefde’ en ‘ontuchtigheid’ verknocht was en lange tijd bij de Manicheeërs vertoefde, verzucht in zijn Confessiones (Belijdenissen), dat hij regelmatig tot God bad om hem kuis te maken. Maar hij voegde er wel aan toe: ‘Niet te vroeg, o Heer.’(8) Nogal wat middeleeuwse kandidaten voor een spiritueel leven (pastoor van Ars) of aankomende mystici (Seuse, Teresia van Lisieux, Ignatius van Loyola) vochten tegen de ‘duivel’, de ‘draak’ of de ‘slang’ in hun streven naar Godrealisatie. Die duivel was niets anders dan de ongekende seksuele kracht (slangenvuur of kundalinidraak), waar Elisabeth Haich zo treffend over schreef (9). Over het celibaat bestaan ook heel wat meningen.
|