Ter herinnering aan

 MONIQUE GEVAERT
(9 november 1948 – 30 maart 2020)



Lange tijd streed Monique met succes tegen een slepende ziekte. Met een goed gemoed, sterk van geest en vooral vanuit de gedachte: niet te veel aandacht aan schenken. Stilhouden dus, want iets wezenlijk in ons is nooit ziek. Dat was Monique. 
Totdat het moment van sterven aanbrak en ze zich los kon maken van haar stoffelijk omhulsel, liefdevol omhuld door hen die haar dierbaar zijn. Eindelijk kon ze ‘de weg der sterren’ gaan, de weg naar het Licht, de weg van bevrijding van de ketenen van deze wereld.

Omdat nog steeds niet iedereen het bericht van haar heengaan heeft kunnen vernemen, is deze ‘Ter herinnering aan Monique’ geschreven.

Monique was een stille ziel, altijd vrijgevig, dienstbaar en steeds bereid zich in te zetten voor haar gezin, mensen die ziek waren of hulp nodig hadden of eenzaam waren. Altijd dienstbaar. Ze had veel kostbare sieraden in het juwelenkistje van haar hart. Een stille aanwezigheid, die iedereen die haar ontmoette voelde. Een liefdevol woord, een gebaar, een oogtwinkeling. Altijd een moment van aandacht. Een wijze vrouw ook met veel innerlijke kwaliteiten die ze nimmer tentoonspreidde en waarop ze zich nimmer beriep.

Voor haar man Freddy, zoon, schoondochter en kleinkinderen is haar heengaan natuurlijk een groot gemis. Voor de vrienden en vriendinnen eveneens. Voor de honderden cursisten die in Brugge in de voormalige Ankh, later onze woonplek, regelmatig bijeenkwamen, bereidden Marijke en ik steeds samen met Monique de themadagen voor. Monique zorgde steeds voor soep met ingrediënten uit eigen tuin en heerlijke en gezonde hapjes. Dagen van tevoren was ze daar al mee bezig. Ze hielp ook mee met allerlei huishoudelijke taken. Nooit was haar iets te veel.
Veel mensen droegen haar op handen. Ze vond het allemaal maar vanzelfsprekend en droeg in grote mate bij aan de sfeer van de themadagen. Zij deed gewoon dat waarvan ze voelde dat ze moest doen. Zonder opsmuk, zonder veel woorden. Alles in grote dankbaarheid naar het leven. Wie haar beter mocht leren kennen, ontdekte een grote rijkdom in haar ziel. Ze leefde het leven ten volle, in vreugde, maar altijd in het besef dat eens de dag van sterven aanbreekt.

Regelmatig blikten we na afloop van een themadag terug op de dag en hadden een diep gesprek met elkaar. Soms in gezelschap van enkele vrienden en vriendinnen die aan tafel waren uitgenodigd. Maar eerst moest alles ‘aan de kant worden gedaan’. 
Soms gingen we na afloop van een themadag nog even naar het strand. Genietend van het oplichten van de golven onder het maanlicht, luisterend naar het rustgevende geruis van de zee en de late kreet van een zilvermeeuw, de geur van het zilte zand in onze neus. Onze hond was ook altijd van de partij. Speels rennend achter een groepje strandplevieren, of hollend achter een door de wind voort geblazen schuimkop…

Soms ontstond er een diep gesprek, zoals die keer dat we spraken over tijd en tijdloosheid, over de cyclus van dag en nacht. Vanuit verstilling merkte Monique ineens op: ‘Er is geen dag, er is geen nacht.’, wat de titel is geworden van een dichtbundel die ik aan het schrijven was. Als we bij de deur afscheid van elkaar namen, waren haar gevleugelde woorden vaak: ‘Tot altijd’. In haar zoektocht naar de diepere betekenis van het leven en de spirituele vervulling ervan, ging ze diverse wegen, die uiteindelijk alle behoren tot de ene weg: terug naar huis. Want wie zoekt, zal uiteindelijk gevonden worden, maar daarvoor dient er eerst een intens zoeken te zijn. 
Bij iedere richtingwijzer in haar leven werd veel onderzocht, beproefd, geleerd, nagedacht en overwogen. Soms een meditatie, een lied, een mantram, een gebed. Haar stille liefde raakte velen. Nimmer oordeelde ze, maar ze beschikte wel over de gave van onderscheid.

Gezond leven naar geest en lichaam kenmerkte haar ook. 
Haar aardse hof van Eden was de tuin en vooral de moestuin. Samen met haar man Freddy, die regelmatig een handje mee kwam helpen tijdens de themadagen, werkte ze daar met veel plezier. Dankbaar was ze voor haar hof, iedere keer beseffend dat ze enkel de tuinman was die de natuur een handje mee mocht helpen. Als we haar bedankten voor de zoveelste gezonde en heerlijke maaltijd, zei ze altijd: ‘Je moet mij niet bedanken, maar Moeder Natuur!’
Rozen waren haar lievelingsbloemen. De goudgele roos was haar lievelingsbloem. Een apart stukje grond was er speciaal voor gereserveerd. Geel is de kleur van liefde. Liefde voor het Ene, boven alle dualiteit en aardse bindingen verheven. Met zeer veel zorg behandelde ze haar rozen, snoof de heerlijke geur ervan op, streelde de bladeren en begroette ze. In de mystiek is de roos niet voor niets het symbool van verbinding met het Onuitsprekelijke.

 

Graag plaatsen we als herinnering aan Monique het gedicht ‘Eens breekt de dag van sterven aan’ uit de bundel ‘Er is geen dag, er is geen nacht’, dat ook bij haar afscheidsviering werd voorgelezen. 
En vanuit ons hart zeggen Marijke en ik, mede namens honderden mensen die haar op handen droegen: ‘Goede reis, lieve Monique en tot altijd!’ In het Frans ‘aDieu’. De katharen noemden de dood ‘un bisou de Dieu’, ‘een kus van God’. Je wordt wakker uit de aardse dodenslaap en staat op in het waarachtige Licht. Vaar-wel!

 
EENS BREEKT DE DAG VAN STERVEN AAN

Eens breekt de dag van sterven aan,
klopt het grote afscheid
aan de poort van de tijd,
plotseling of in stille verwachting.

Zullen we onze vingers tot vuisten maken?
Zal de ademhaling rusteloos zijn,
de spieren vol kramp van het grijpen,
de ogen angstig en wild?
Of zullen handen zich teder openen,
zal adem zacht in grote adem overgaan,
het lichaam zich ontspannen in overgave,
de ogen vol rust zijn, stil en sereen?

Een reiziger zijn wij
door de kringloop van het bestaan,
zoekend en tastend naar nieuwe vormen van leven,
onwetend van wat we zijn,
onwetend dat hemel en aarde rusten in de eigen geest.

Zoals de wolken drijven door de lucht,
zo drijven we steeds maar voort
van geboorte naar dood
van dood naar geboorte.
Overdag de slaap van onwetendheid,
’s nachts de slaap van vergetelheid
en in het sterven geen ontwaken,
noch helderheid bij nieuwe geboorte,
totdat we sterven vóór de dood.

Weet, o mensenkind,
jij bent het licht van alle lichten,
de grondeloosheid van alle grond,
jij bent het niets en het al,
wezenloos en toch het wezen van alle zijn,
leeg en tegelijkertijd vol van al wat is.

(Brugge-Sint-Michiels, 1995)

M.M.